Categorie: Blog

Blog, bijgehouden door verschillende leerkrachten

Wie het hoogst gooit

Vandaag staat de ‘kleine kring’ op mijn dagplanning. Hierbij ben ik gericht bezig met een groepje leerlingen. De anderen zijn op dat moment zelfstandig aan het spelen of werken. Meestal probeer ik aan te sluiten bij het spel van de leerlingen om zoveel mogelijk op een natuurlijke manier te kunnen observeren. Het mooist vind ik het als ik de leerlingen tijdens hun spel een stapje verder kan brengen in hun ontwikkeling. Deze week heb ik echter een specifiek doel. Ik wil extra aandacht besteden aan het tellen en vergelijken van hoeveelheden tot en met twaalf. Ik besluit daarom de leerlingen waarmee ik wil oefenen zelf in te plannen.

Zodra de hele klas zelfstandig bezig is, begin ik in de kleine setting met mijn uitleg. Ik sluit af met ‘wie het hoogst gooit, mag beginnen.’ Zodra ik mijn laatste woord heb uitgesproken vliegt de grote rode dobbelsteen al door de lucht. Hij raakt één van de plafondplaten en landt precies netjes op de tafel naast ons, op de uiteinden van de kwasten die keurig geschikt in het boterbakje van de groene verf staan. Het wordt muisstil.

Als ik rondkijk zie ik overal verbaasde gezichten. Aan de verftafel zitten de leerlingen met hun nette blauwe schorten waarop enkele groene spatjes zijn gekomen. Op de grond liggen kwasten met klodders groene verf. Groene spetters zijn terechtgekomen op de witte muur. En naast mij zit een jongen, die een beetje trots en een beetje geschrokken kijkt.  

Opeens begin ik te lachen om dit prachtige plaatje en deze ‘spiegel’ op mijn uitleg. Vanuit alle hoeken wordt er meegelachen om dit groene spektakel. Als we uitgelachen zijn klinkt er een beetje bedremmeld ‘maar ik heb toch wel heel hoog gegooid?’ Dit kunnen we natuurlijk allemaal beamen. We bespreken klassikaal wat de uitdrukking ‘wie het hoogst gooit, mag beginnen’ betekent.

Wat hebben we al veel geleerd, terwijl het echte spel nog niet eens is begonnen. Zelfs de hele klas heeft ervan geprofiteerd dit keer.  

Met een lied los je alles op

Zingen met de kinderen is zo heerlijk ontspannend! Even niet diep nadenken over rekensommen of twijfelen of je ‘gebeurd’ met een d of een t schrijft, maar spelen met taal door gezellig samen te zingen. Toch is een liedje aanleren niet alleen leuk en leerzaam. Nee, het kan soms ook handig zijn.

Het is een druk geroezemoes in de klas. 31 kinderen zijn fijn aan het spelen. De een in de bouwhoek, de ander in de huishoek, weer een groepje bij de zandtafel en zo heeft iedereen zijn plekje gevonden. Mijn ogen dwalen voor de klas. Ik denk steeds aan wat mijn collega tijdens de overdracht tegen mij zei: ‘Let op Jonah, dat hij niet wegloopt. Want dan moet je én hem zoeken, én ook op de andere kinderen kunnen letten.’

De ochtend vliegt voorbij. Ik zit met een tevreden gevoel op mijn stoel. Dat gaat goed vanmorgen. Ik kijk de klas rond. De kinderen zijn druk bezig met opruimen. Sommigen hebben er rode wangen van. Ik glimlach. Wat is kind zijn toch fijn, denk ik bij mijzelf.

Als het speelgoed is opgeruimd, gaan de kinderen weer in de kring zitten. Het is tijd om naar huis te gaan. We zijn op tijd klaar, dus ik besluit nog met de kinderen te gaan zingen. Dan gaat Jonah staan. ‘Ik moet naar de wc’, zegt hij. ‘Vooruit, heel snel dan’, zeg ik. ‘We gaan zo naar huis.’

Na vijf minuten kijk ik eens door het raam. Waar blijft Jonah toch? ‘Nadine, ga jij eens bij de wc’tjes kijken waar Jonah is.’ Nadine komt al snel terug en zegt: ‘Hij is niet meer op de wc, juf.’ Oh nee, hoe ga ik dit oplossen? De ochtend is al bijna om, en nu doet zich aan het eind nog een probleem voor. Ineens denk ik aan de muziekles van gisteren. ‘Knip, knip, knip, zegt de schaar. Kappertje, wat doe je met m’n haar?’ begin ik te zingen. De kinderen vallen vrolijk in. Ze zingen uit volle borst. Voorzichtig sta ik op en loop al dirigerend en zingend de klas uit. Op zoek naar Jonah.

Na een paar minuten zie ik op de gang twee blauwe schoentjes onder een tafel uitsteken. Jonah! Ik loop rustig naar hem toe, pak zijn handje en loop samen met hem naar de klas. Terwijl ik naar de klas loop, hoor ik de kinderen zingen. ‘Ken jij dat liedje ook?’ vraag ik hem. Jonah knikt heel hard en begint te zingen. Ik ben stomverbaasd als ik de klas binnenkom. Alle 30 kleutertjes zitten nog keurig op hun stoel en zingen voor de zoveelste keer: ‘…Maak het lang of maak het kort. Als het maar weer netjes wordt. Knip, knip…’

Stilte voor de storm

Het is vroeg in de morgen. Vaak is het nog een beetje donker. Ik stap op de fiets. Als één van de eersten kom ik binnen. En dit heeft alles te maken met: handvaardigheid! Voor bijna alle kinderen is dit het leukste uurtje van de week.

Ik doe de lampen aan en loop het handvaardigheidslokaal binnen. Het is nog helemaal leeg. Ik begin snel met het klaarzetten van de spullen voor de opdrachten die de kinderen gaan maken. Met dat ik alles klaar zet, zie ik voor mij hoe een kind het zou maken. Wat hebben de kinderen nodig? En hoe hebben ze dat nodig? Ondertussen zie ik voor mij hoe ze straks mijn lokaal weer binnenkomen als de les begint, vol enthousiasme. Tijdens de uitleg is het vaak nog wel aardig rustig, maar niet voor lang. Zodra ze aan de slag mogen is er vaak veel rumoer. Allerlei geluiden wisselen elkaar dan af. Geluiden van hard werken en plezier.

Daar komen al meer collega’s binnen. ‘Goedemorgen!’ Langs mijn lokaal loopt de ene na de andere collega die met glimlachende gezichten naar binnen kijken. Ondertussen haast ik weer door met mijn werkzaamheden. Dan komt er een collega binnen. ‘Wat ga je vandaag maken met de leerlingen?’

Dan gaat de bel. Het davert door de gang. Na 5 minuten is alles weer stil. Maar dan ook echt stil. Stilte voor de storm… De dag wordt in de klassen begonnen met gebed. Dan is het echt even stil in heel de school. Het verwondert mij altijd weer, die stilte die ik hoor omdat ze eerst tot God bidden en vragen om een zegen over de dag, en dat hebben we nodig!

Na een paar minuten stilte hoor ik het geluid van zingende kinderen. Vanuit mijn lokaal hoor ik alles door elkaar. Verschillende toon- en maatsoorten klinken door elkaar. Op het eerste gehoor klinkt het rommelig. Maar toch is het heel mooi! Alle kinderen die zingen tot God en Zijn eer! Om stil van de worden… Stilte voor de storm.

Wees klaar om te gaan.

Morgen is het schoolreisje! Yes! Met veel kabaal komt de groep om kwart voor negen de gang in, hevig discussiërend wie er morgen in de dubbeldekkerbus bovenin mag zitten. ‘Ja, want groep 6 zegt dat er zo’n bus komt en zíj willen bovenin. Mogen wij dan op de terugweg? ‘  ‘Juf, en ik heb wagenziekte’ ‘ Ik ook!’ ‘Ik ook!’.  

Als de klas tenslotte rustig op de plaats zit, schrijf ik het woord ‘wagenziekte’ op het bord.  Er blijken maar liefst zeven kinderen te zijn die beslist voorin moeten zitten. Nou, hoe kunnen we dat oplossen? Of moeten maar een heeeele brede bus vragen… We besluiten samen dat we zo nodig wisselen van plaats als iemand echt misselijk wordt.  
En die dubbeldekkerbus? Ach, die groep 6 roept maar wat… we weten nog niet eens wat voor een bus er komt!  
Als de rust is weergekeerd, gaan we beginnen met deze dag.

Er wordt goed geluisterd naar het Bijbelverhaal, hoewel de meesten het al kunnen dromen.. De tiende plaag! Het bloed aan de deur.  De uittocht uit het slavenhuis Egypte! De kist met het lichaam van Jozef gaat mee. De leiding van God door middel van de wolkkolom is zichtbaar voor heel het volk. En dan… komt het volk klem te zitten vlak voor de Rode zee. Ze beschuldigen Mozes heftig. Maar hij kalmeert hen ‘Stil toch mensen! God zal voor jullie strijden! Mozes loopt met zijn staf richting de zee…’ Er wordt deze morgen hard gewerkt. Iedereen zet zijn beste beentje voor.  
 
Morgen is het schoolreisje.  We hebben er zo’n zin in. We moeten dan allemaal de groene t-shirts aan met de naam van de school erop. Aan het eind van deze morgen worden ze alvast uitgedeeld. Sommige kinderen ruiken er eens misprijzend aan… Mwah! Het is niet met mama’s wasmiddel gewassen! Ha, ik ben benieuwd of er nog moeders zijn die het shirt vanmiddag opnieuw willen wassen. Ze gaan eerst maar eens mee in de tas naar huis.  

Tot morgen allemaal!
Tot morgen juf! 

De bijna overbodige juf en de boef

Het is maandagmorgen. De kinderen druppelen en huppelen bijna weer binnen. Alles staat, ligt en hangt weer klaar. Voor de rekenles pak ik snel de laatste spullen in een doos. Ik druk mijn vinger in een inktkussen, stempel af op de doos en zet deze weg in het hoekje van mijn magazijn. 

De eerste voetstappen klinken op de gang. ‘Yes, ik ben de eerste,’ klinkt de blijde stem van Jos. ‘Ik de tweede,’ hoor ik Anna zeggen. ‘Ik de bijna eerste,’ zegt Jorik. ‘Echt niet! Je bent de derde,’ volgt het corrigerend. Ik glimlach. De rangtelwoorden worden in ieder geval geoefend.

Allerlei groeten klinken, terwijl de kinderen mij om de beurt een hand geven: ‘Goedemorgen juf,’ ‘Goodmorning teacher,’ ‘Hallo juf’ en ‘Goetemorguh juf.’ Ondertussen worden de boeken over ons thema Politie & Hulpdiensten enthousiast gelezen. 

Na de gebruikelijke start van de dag is het tijd voor rekenen. ‘Jongens en meisjes, ik heb jullie hulp nodig,’ zo begin ik mijn les. ‘Vanmorgen vroeg is er een boef in de klas geweest. Die heeft allerlei spullen uit onze klas verzameld. Ik denk dat de boef de spullen niet heeft meegenomen, want ik heb een doos in het magazijn zien staan.’ Ik ben nog niet uitgepraat of de knechten springen al op van hun stoel, rennen naar het magazijn en komen terug met de bewuste doos: ‘Oh, kijk! Beertje Prikkel heeft ‘ie gepakt en…’

Nadat de rust is weergekeerd, krijgt Jan de beurt om een voorwerp uit de doos te halen. Er komt een hand vol met stiften te voorschijn. ‘Dat zijn er wel 10 denk ik,’ zucht Jan. ‘Ik denk… 100,’ hoor ik iemand fluisteren. Ondertussen zie ik dat verschillende kinderen 9 vingers hebben opgestoken. We tellen samen het aantal stiften. Het zijn er 9.  

‘Juf,’ zegt Anna, ‘we hebben een papier nodig om te onthouden wat we tellen.’ Gelukkig vinden we op de kast een mooi papier waarop door Anna een grote 9 wordt geschreven. De getelde stiften worden erbij gelegd. De les wordt vervolgd met het tellen van de andere voorwerpen uit de doos. We oefenen met meer en minder. We schatten de aantallen, schrijven cijfers en maken zelfs leuke sommen, totdat de doos bijna leeg is. 

‘Nu zijn de handboeiers nog aan de beurt,’ zegt Jorik, terwijl hij glimmend van oor tot oor de rammelende zilverstukken uit de doos pakt. Een vinger gaat stil omhoog. ‘Juf, hij zei handboeiers, maar het zijn handboeiens.’ Weer een vinger gaat in de lucht: ‘Ik denk toch dat je dan handboeien moet zeggen…’ Zo naderen we het eind van de les. 

Voordat we afsluiten is er nog één probleem: hoe kunnen we weten wie de boef is? ‘Ja, ik weet het! Ik zie een vingerafdruk,’ roept Jos, terwijl hij zijn vinger opsteekt. Iedereen kijkt vol verwachting naar de vingerafdruk op de doos. Dan klinkt er met een zachte en lage stem door de stil geworden klas: ‘Juf, jij bent de boef, ik weet het zeker.’ Het blijft even stil, totdat Sanne met twinkelende ogen rondkijkt en zegt: ‘als u de boef bent, dan ben ik de juf.’

Ik geef toe dat ik de boef was. Ik geef ook toe dat ik geloof dat Sanne een hele goede juf kan zijn en dat de kinderen zó knap zijn, dat ze bijna zonder juf kunnen. Maar dat zou betekenen dat ik een ander beroep moet kiezen. En ik wil geen politie worden of verpleegkundige of tuinvrouw. Omdat het zo mooi is om een juf te zijn van enthousiaste kinderen die elkaar helpen leren. Of om een juf te zijn die soms bijna overbodig is…

Onderwijs uit de zaligsprekingen

Ik zucht zacht als ik zie welk Bijbelgedeelte morgen aan de beurt is. De zaligsprekingen, lees ik op het jaarrooster. Wat moeilijk voor groep 7 en 8! Gelukkig is het een Bijbelleesles, dan vind ik het wat minder lastig om de aandacht van de kinderen erbij te houden dan wanneer ik erover moet vertellen. Ik zoek het Bijbelgedeelte op, pak het werkblad en de handleiding van de methode erbij en begin met de voorbereiding. Op naar morgen!

De zaligsprekingen: ik vind het een mooi en inspirerend Bijbelgedeelte, maar vooral voor volwassenen. Hoe breng ik dit dicht bij de kinderen? Ik heb nog geen idee. Toch leg ik de volgende dag de bijhorende werkbladen op de tafel van de kinderen en na het zingen van een paar psalmen en een gebed start ik met de Bijbelles. Een paar kinderen lezen de eerste verzen voor uit het Bijbelgedeelte en daarna vullen we de eerste vraag in.

We zijn nog maar net begonnen, of er gaan al twee vingers de lucht in. ‘Lara?’, geef ik een meisje de beurt. ‘Maar juf,’ begint ze, ‘ik vraag me af waarom de Heere God dingen van ons verwacht die we helemaal niet kunnen. Hij weet toch dat we elke dag zondige dingen doen?’ Bam, zo ineens wordt mijn twijfel beschaamd: ik hoef het niet dicht bij de kinderen te brengen, het Bijbelgedeelte spreekt zelf al tot hen. Deze pakkende en oprechte vraag vanuit een kinderhart doet me beseffen: deze les kan uitdagender worden dan ik van tevoren had bedacht.

Een goede vraag

Vol verwachting kijkt het meisje, net als de rest van de klas naar mij. Alsof ze allemaal willen zeggen: dat vraag ik mij eigenlijk ook af. Nu moet ik, als jonge juf hier een antwoord op gaan geven. Ik ga goed op mijn kruk zitten en begin: ‘Wat een goede vraag stel je. Ik ga mijn best doen hier zo goed mogelijk antwoord op te geven.’

Het flitst door mij heen dat het goed is om de kinderen te laten merken dat je als juf geen volmaakt verstand hebt. Je hoeft niet overal een pasklaar antwoord op te hebben. Helemaal als het gaat om Bijbelse zaken. ‘De Heere God heeft ons geschapen als volmaakte mensen. We waren in staat om niets verkeerds te doen. Maar Hij gaf ons ook een eigen verantwoordelijkheid, en daar hebben wij misbruik van gemaakt. We deden verkeerde dingen en doen dat nog steeds. Maar de Heere God heeft ons nog steeds lief en wil ook graag dat wij Hem lief gaan hebben, en daarom vraagt Hij van ons om Zijn wil te doen.’ Zo vervolg ik mijn antwoord. Ik zie aan Lara dat ze aandachtig luistert en nadenkt over mijn antwoord. En blijkbaar doen de andere kinderen dat ook, want er schieten ondertussen al weer vijf vingers de lucht in.

Mijn baan

Juf zijn, het lijkt voor buitenstaanders soms niet meer dan een paar lesjes geven en wat knippen en plakken. Maar tijdens deze Bijbelles voelde ik mij een nietig mensje met een enorme verantwoordelijkheid. Juf zijn is niet zomaar een baan, het is naast een vak waar je voor kiest ook een roeping. God geeft de talenten om dit beroep uit te mogen oefenen en dus ook met de kinderen te praten over Zijn Woord.

De tijd tikt door, we hadden allang moeten starten met de rekenles. Het maakt me niks uit, want de Bijbelles die zo moeilijk leek, is zo waardevol geworden. Laat de kinderen maar vragen, denk ik bij mijzelf. Dit is ten diepste waarom ik juf wilde worden: ik wil ze zo graag vertellen over God en Zijn genade. Vanuit mijn hart klimt een gebed op of de Heere mij wil helpen om de kinderen over Hem te vertellen, en bovenal of Hij het onderwijs dat ik mag geven wil zegenen in hun harten.

Zo ga ik aan het einde van de dag naar huis. In de auto denk ik eens terug aan de werkdag die achter mij ligt. Wat is de dag anders gegaan dan ik verwachtte. Ik zal nooit meer vooraf denken dat een Bijbelles saai zal zijn, neem ik me vanaf dat moment voor. God kan zo anders werken dan dat wij als mensen denken!